maandag 21 januari 2013

Hoofdstuk III

Mijn jeugd in Coevorden (3)
(1970-1977)
(geschreven in 1983)

In de gang stond een paraplu-bak, waar een paar van die ouderwetse plu’s in stonden. Die waren allemaal kapot en dat had maar één oorzaak: ze waren op mijn hoofd kapot geslagen. Als ik geslagen werd in het bijzijn van anderen, bijvoorbeeld m’n zussen of broer, werd daar altijd een reden aan ‘verbonden’ door mijn moeder. Dan had ik bijvoorbeeld zogenaamd weer iets uitgevreten, zei ze dan vaak. Ze had ooit eens een stel nieuwe zweedse klompen voor mijn vader gekocht. Dat was op een zaterdagmiddag. Toen mijn vader die ‘s avonds aan wilde trekken, waren ze er niet meer. Dat wil zeggen: er was er nog maar één. De ander had ze letterlijk op m’n hoofd kapot geslagen. Als smoesje zei ze toen, dat er één bij de boodschappen zoek was geraakt en dat ze maandag wel een nieuw stel zou halen.
Als er iets in huis weg was geraakt, riep ze eerst mij in huis. Dan moest ik op het keukenmatje bij de achterdeur al mijn zakken leeghalen en vaak zelfs m’n schoenen en sokken uittrekken. Het kwam zelfs wel voor dat ik ook mijn broek naar beneden moest doen, “want ik kon het wel eens in m’n onderbroek verstopt hebben..” Bij zo’n “onderzoek” stonden dan vaak de andere drie kinderen verplicht te kijken. Arme donders..wat zij al niet voor smoesjes hebben moeten verzinnen voor vriendjes en vriendinnetjes.. Vooral m’n ene zus was zo ongeveer net zo vaak het slachtoffer als ik. Op de één of andere manier heeft ons verleden ons jaren later heel dicht bij elkaar gebracht. Ik heb wel eens de indruk dat er een soort verbond tussen haar en mij bestaat, alsof wij een bepaalde kennis hebben, die niemand anders heeft. Onze band is dan ook bijzonder hecht. Gelukkig maar, want hoe anders had het kunnen lopen....

Mijn moeder had een oom waar ze heel erg gek mee was. Dat was een broer van haar moeder, oom Bernhard. Ze nodigde deze man regelmatig uit en dan kwam hij voor een hele week ofzo. Oom Bernhard kwam uit Nordhorn, in Duitsland. Ik was ook eigenlijk wel gek met die man en ik ging dan ook regelmatig naar hem toe, als hij weer eens in Coevorden hier of daar zat te vissen. Dan zat ik soms wel uren bij hem aan de waterkant. Hij wist wel dat ik niet zo ver van huis mocht, maar hij zei het nooit tegen m’n moeder, als we weer thuiskwamen.
Op een dag werd ik eens door m’n moeder geslagen terwijl die oom erbij was. Ik had gehoopt dat hij mijn moeder zou stoppen, maar dat deed hij niet. Ze had hem gewoon een smoes ofzo verteld, waardoor het rechtvaardig leek denk ik. Na die tijd zaten ze heel lang bij elkaar en ik wist gewoon dat mijn moeder hem van alles voorloog. Toen ik later op de avond in bed lag en mijn oom ook naar bed ging, kwam hij bij mij op de kamer slapen. Dat was altijd zo, wanneer hij kwam logeren. Dan sliep mijn broertje ergens anders.
Toen m’n oom op een gegeven moment sliep, ben ik heel zachtjes uit bed gestapt en naar de stoel gekropen, waar zijn kleren op lagen. Ik heb toen uit zijn portemonnee 125 mark gehaald. Ik deed dat niet om het geld uit te geven. Dat kon trouwens ook niet, want het zou wel heel erg opgevallen zijn als een jochie met 125 mark rondloopt. Daar komt nog bij dat ik niet eens wist dat je met duits geld ook wel in Nederland kon betalen. Ik deed het dus niet om het geld. Ik denk nú dat ik het stal om mijn moeder pijn te doen en mijn oom, omdat die mijn moeder niet had tegengehouden toen ze me sloeg. De volgende dag miste m’n oom al dat geld natuurlijk en dat zei hij dan ook tegen mijn ouders. Toen moest een van m’n zussen mee naar het ‘meidenbosje’, waar ik het geld verstopt had in een theebusje. Dat was de enige keer dat m’n vader me sloeg, maar ook gelijk zó hard en lang sloeg, dat ze hem van me af moesten halen, anders had hij me zeker vermoord. Gastvrijheid was alles voor m’n pa en de gasten waren heilig. Van alles dat verkeerd was, was stelen van een gast in het huis van m’n vader wel zo ongeveer het ergste, wat je kon bedenken! En daar had hij ook best wel gelijk in, natuurlijk.
Ik was in die dagen al geen lieve jongen meer.
In m’n opstandigheid jegens mijn moeder heb ik vaak streken uitgehaald, die echt niet door de beugel konden. Dat ging soms zelfs zover, dat ik mensen ging bestelen, inbrak in huizen en er een behoorlijk agressief gedrag op nahield. Als kleine jongen heb ik dingen gedaan, die een volwassene misschien niet zouden hebben misstaan en ik had dan ook al vrij vroeg de reputatie, voor niets en niemand meer bang te zijn. Ik weet tot op de dag van vandaag nóg niet waarom ik bepaalde dingen heb gedaan. Ik was niet echt crimineel en als ik iets stal van bekenden, deed me dat vaak zèlf pijn. Want ik bestal ook mensen waar ik om gaf. Heel vaag denk ik, dat ik op die manier uiting gaf aan mijn eigen onzekerheid en angst. En misschien probeerde ik zo ook wel om mijn moeder pijn te doen. Of was het meer een schreeuw om hulp? En uiting van protest, omdat ik nooit daar mocht spelen, waar m’n broertje speelde met z’n vriendjes? Of een uiting van onmacht?
Er waren tijden, dat ik niet verder mocht komen dan onze straat en dan moest ik zelfs in het zicht van het huis blijven, zodat m’n moeder me te allen tijde kon zien. Maar echt al te veel trok ik me daar niet van aan, want het kon me allemaal niet zo veel meer schelen. Klappen kreeg ik toch wel, of ik nou wel iets had gedaan of niet: me slaan en vernederen en uitschelden en weer slaan deed ze toch wel
Zo fietste ik vaak naar Slagharen, om stiekem naar het Ponypark te gaan. Dan verstopte ik m’n fiets in de bosjes en kroop ik daar onder een hek door, waardoor ik achter een attractie uitkwam. Zo kon ik dan de hele dag gratis overal in. Ik deinsde in die dagen nergens meer voor terug. Zo heb ik op een dag eens een vuuraansteker gejat uit de kleedkamer bij een voetbalveld, dat tegenover het Ponypark lag. Ik weet nog, dat ik doodleuk naar binnenliep, terwijl de voetballers op het veld waren. Met die aansteker en tien gulden rijker ben ik toen weer naar huis gefietst. Aangekomen in de Salandpassage in Coevorden, zag ik m’n broertje en een neefje zitten in een cafetaria. Ik weet het nog goed: het was cafetaria Prins. Daar ging ik dus ook naar binnen, kocht een ijsje en maakte een praatje met m’n neefje en sprong ineens, zonder waarschuwing vooraf,  met één enkele sprong over die toonbank, waar ik de geldla open probeerde te maken. Het ging zó snel, dat ik niet meer zag, hoe die twee jongens maakten dat ze wegkwamen. Vanuit het aangrenzende café hoorde ik plotseling een geluid en dus verstopte ik me achter een ijskast. Daar vond de eigenaar mij. M’n zakken werden leeggehaald en z’n vrouw zei dat de politie er maar bij moest komen. Dat gebeurde niet, maar ik werd wel met een trap onder m’n kont naar buiten gewerkt met de woorden dat hij me daar nooit meer wilde zien.
Toen ik eenmaal buiten was, ben ik als een razende naar huis gefietst, in de hoop die twee knapen nog op tijd in te kunnen halen. Helaas, ik was te laat.. Terwijl ik voorzichtig door onze straat fietste, zag ik ze beiden bij ons in huis met mijn moeder en mijn tante praten. Een hele week later kon ik nog niet normaal lopen vanwege de kneusingen en blauwe plekken.
In die jaren stonden mijn ouders op een camping bij Ijhorst in de buurt, vlakbij Staphorst. Camping “de Witte Bergen”. Natuurlijk was het niet veel anders dan thuis, maar er werd wel veel minder op mij gelet. Zo had ik alle gelegenheid om in de omgeving rond te struinen. Op die camping leerde ik Jeroen Veenman kennen. Dat was een jongen, die bepaald niet bang was voor een beetje actie! Zijn moeder kwam op een dag ook in Coevorden wonen met alle kinderen en dat was natuurlijk dikke pret voor Jeroen en mij! Ik moet zeggen, dat we dan ook van alles hebben uitgehaald. Zo kwam zijn moeder eens op het idee om een week naar het recreatiepark de Huttenheugte te gaan, vlakbij Coevorden. Ik mocht mee van m’n moeder, want dan had zij “even rust..” Wij sliepen met z’n tweetjes in een klein tentje. Dikke pret! Daar op dat terrein hebben Jeroen en ik ‘s nachts eens een roeiboot gejat en zijn daarmee midden in de nacht het meer opgevaren. Midden op het meer sloeg de boot om door ons gestoei en we konden niet meer terug in de boot komen, want die dreef weg. Wij kletsnat, hele camping in rep en roer, boot weg, z’n moeder overbezorgd, en wij hadden de grootste lol! Er was dan ook niet echt sprake van iets slechts. Maar toen het mijn moeder ter ore kwam, heeft ze me zó lang en hard geslagen dat m’n twee zussen haar toeschreeuwden, alsjeblieft te stoppen met slaan...
Zo sleepte mijn leven zich voort van de ene portie klappen naar de andere. Het maakte niets uit of ik iets had uitgehaald, of niet. Mijn moeder sloeg toch wel.. Het kwam veel voor, dat ik me uiterst rustig hield, in de hoop dat dan het slaan en vernederen zou stoppen, maar het hielp niet. Mijn moeder had de pest aan mij en dat liet ze me horen en voelen, zodra ze daar de kans toe had. Zonder dat ik me zelf goed wil praten, durf ik rustig te zeggen, dat het op een bepaald moment niet meer uitmaakt, of je nou wel iets uithaald of niet. Voor mij was het o.a. een uitlaatklep voor alle spanningen, vernederingen en klappen in huis.
We kregen op school altijd ‘schoolmelk’. Dat waren van die kleine pakjes melk, waarvoor we één keer in de week geld moesten meenemen naar school. Nou had ik besloten dat ik dat geld best wel kon gebruiken en dus toog ik vol goede moed naar het lokaal waar dat geld in een laatje van een bureau lag. Ik zat net in de vijde klas, bij meneer de Jong. Dat geld zou ik gebruiken om bij wijze van uitzondering bij de rondrijdende SRV-man nu ook eens iets te kópen, inplaats van alleen te stelen. Het was nl. de ‘sport’ (niet alleen voor mij..) om achter die bus aan te rennen, enkele lege flessen uit de kratten te halen, die achter de bus waren opgestapeld en die dan vervolgens doodleuk bij de srv-man in te leveren voor statiegeld, waar we dan ter plekke snoep voor kochten. Dat geren was ik wel een beetje zat, dus ik besloot dat geld uit de klas te stelen.
Foute boel....
Ik werd betrapt, moest mee naar de onderwijzerskamer, alwaar de hoofdonderwijzer, meneer Hof, al op me wachtte. Hij nam me mee naar m’n ouders, legde het hele verhaal uit en wist erbij te vermelden, dat het nu echt niet langer kon. Sebo moest maar even een poosje van school. Misschien was het goed om ook een poosje uit de omgeving weg te zijn.
Twee dagen later zat ik in limburg...
Bij een oom en tante in Heerlen, waar ik voor het eerst een tamelijk normale jeugd beleefde. Van m'n huidziekte was al heel snel niets meer over en ik had er zelfs een vriendinnetje. Ik was er gelukkig en sprak m'n oom en tante inmiddels aan met papa en mama. M'n neefje en nichtje, van rond dezelfde leeftijd, zag ik als m'n broer en zus. M'n nichtje en ik gingen naar dezelfde school, waar we elke morgen naar toe liepen. Eenmaal op school, probeerden we vaak om ons brood te ruilen met iemand anders ("mama" bakte nl. zelf brood, dat heel erg naar gist smaakte). Ja,... ik was er gelukkig.
Tot die ene dag...
Op zaterdag 7 juni 1975 kreeg ik van m'n tante te horen dat ik m'n koffertje moest inpakken.
De volgende dag zou er een verrassing voor me zijn, ik zou op reis gaan.
Die zondag, 8 juni 1975, waren m'n neefje en ik buiten aan het spelen. We hadden te horen gekregen (met klem) dat we ons vooral niet vuil mochten maken. Terwijl we zo voor de flat aan het spelen waren, zag ik op een gegeven moment een rode volkswagen variant aankomen rijden.
De auto was veel te ver weg om gezichten te kunnen herkennen, maar ik voelde me opeens misselijk. De angst, die ik toen voelde, zal ik nooit meer vergeten.
Ja, ik was bang, doodsbang...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten